Auteur: Marella Karpe – Verteller: Channa Walvisch (1936 – 2025). Geboren op 31 december 1936 in de Vrolikstraat, waar ze haar kinderjaren doorbracht totdat ze moest onderduiken. Na de oorlog was de straat voor haar een straat geworden waar ze zich niet meer thuis voelde. Channa is in december 2025 overleden.

Channa Walvisch kwam op 4 mei 2018 naar de manifestatie ‘Namen enNummers’ op het Kastanjeplein, waar al enige jaren de Joodse bewoners die hier tijdens de oorlog zijn weggevoerd op een symbolische wijze worden herdacht en thuisgebracht. Het werd een emotionele belevenis voor haar.
“Ik kwam tegen 11.00 uur naar het Kastanjeplein zonder te weten wat ik ervan moest verwachten, had me afgevraagd of ik bloemen zou meenemen. Iemand nam me mee naar de archiefkast en het eerste wat ik zie waren foto’s van mijn papa en van Liesje de Vries, mijn bovenbuurmeisje van toen. Ik werd overspoeld door herinneringen en emoties, prachtige en vreselijke tegelijk”.



Haar vader kocht een mooie pop voor haar
Channa Walvisch werd op de laatste dag van 1936 geboren in de Vrolikstraat 80, waar haar vader op nmmer 76-78 een kolenhandel had en tevens een loods waar bakfietsen gestald werden. Als peuter stond ze in een box op straat, waar ze uit klauterde om naar haar opoe op nr. 96 te gaan. “Mijn papa was een heel sociale man, die op donderdagavond , soms met mij, centjes ging brengen naar mensen in de straat die het arm hadden zodat ze op sjabbat en/of zondag goed konden eten. Hij was erg geliefd in de buurt en ik was zijn prinsesje. Ik herinner me nog winkels uit de straat, schoenmaker Premsela, de sigarenzaak van Emons, hun dochter Stien was een vriendin van mijn moeder. Op de Beukenweg het groentekeldertje van Juutje Nebig, de ijscowinkel en van Embden’s speelgoedwinkel . Tijdens de opheffingsuitverkoop ( 1941 of 1942 ?) heeft mijn vader een mooie pop voor mij gekocht, een van de weinige dingen van vroeger die ik nog altijd heb.”




Opgehaald door ‘oom’ Hannes Boogaard, een boer uit de Haarlemmermeer
Channa – toen nog Henny – herinnert zich de vroege kindertijd als de mooiste tijd van haar jeugd. Toen ze drie en een half jaar was begon de oorlog en haar moeder voelde de dreiging. “Om mij van de straat te halen regelde Stien Emons dat ik in september 1940 naar de Christelijke kleuterschool op de Sparrenweg mocht, al was ik er eigenlijk te jong voor. Nadat er een paar politie invallen in ons huis waren geweest omdat vader van ‘zwarte handel’ (!) werd beschuldigd ,besloot mijn moeder dat ik weg moest uit Amsterdam. Stien Emons kende een familie in ’s Hertogenbosch die wel een Joods kostgangertje in huis wilde nemen. Zij heeft mij daar tegen de zin van mijn vader, die niet kon geloven dat hier hetzelfde zou gebeuren met de Joden als in Duitsland, in het najaar van 1941 naar toe gebracht. Zij haalde mij eerste Kerstdag op omdat ik mijn vijfde verjaardag thuis mocht vieren. Ik was erg verwaarloosd en zat onder de luizen,tot mijn grote vreugde hoefde ik niet meer terug. In juli 1942, nadat ik mijn grootouders, tante en neefje van huis heb zien ophalen, besloot mijn moeder opnieuw dat ik weg moest uit Amsterdam. Op een ochtend werd ik opgehaald door ‘oom’ Hannes Boogaard, een boer uit de Haarlemmermeer en was mijn onderduik begonnen“. (zie meer over de onderduik in de 2e reactie onder dit verhaal). In 1943 zijn Channa’s ouders ook ondergedoken in de Haarlemmermeer, haar vader is daar verraden voor ‘kopgeld’ en in april 1944 vermoord in Auschwitz.

Haar broertje en Channa van de familie Walvisch die de onderduik overleefd hebben
In juli 1945 keerde Channa terug naar de Oosterparkbuurt, om de hoek van de Vrolikstraat. Het bleek dat haar ouders voor ze gingen onderduiken op het Iepenplein nr.33 een bovenwoning hadden gehuurd op naam van Jaap Wijman, die zou gaan trouwen met Liesje de Vries, het bovenbuurmeisje uit de Vrolikstraat. Maar Joden mochten toen niet meer met niet-Joden trouwen en Liesje is ook vermoord. Channa’s moeder woonde in juli al op dat adres en in augustus kwam Channa’s broertje – geboren in mei 1944- eveneens ‘thuis’.
“Hij en ik zijn de enige van onze familie Walvisch die de onderduik overleefd hebben. Al snel ging ik elke dag in de Vrolikstraat langs de huizen en belde aan waar mijn familie en bekenden hadden gewoond, maar er werd altijd opengedaan door vreemde mensen. Ik rende dan weg, de mensen werden boos want dachten dat ik aan het belletje trekken was en ik begon te beseffen dat MIJN straat mijn straat niet meer was”.
Begreep dat mijn vader nooit meer terug zou komen
In juli 1946 hertrouwde Channa’s moeder, haar stiefvader las ‘De Waarheid’. “Daarin las ik dat dwangarbeiders uit Polen en Duitsland terug kwamen op het Centraal Station. Ik pikte geld uit mijn moeders beurs om een perronkaartje te kopen en spijbelde van school, ging stiekem naar het Centraal Station om te kijken of papa erbij was. Langzamerhand heb ik toen begrepen dat mijn vader nooit meer terug zou komen “.



——-
P.S. Channa en haar broer Jaap waren aanwezig bij de plaatsing van 2 Stolpersteine voor het huis 2e Oosterparkstraat 245 van hun oud-tante Klaartje de Zwarte-Walvisch en haar man Joseph op 17 januari 2024. Voor een verslag klik op de volgende link
In februari 2026 werd de documentaire over de Jodenboerderij in Nieuw-Vennep waar Channa bij ‘oom’ Hannes was ondergedoken, uitgezonden. Channa was in dat programma ook zelf aan het woord. In de 2e reactie hieronder het verhaal van Channa, opgetekend door Frenk der Nederlanden in Het Parool van januari 2026.


De onderduik
In juli 1942, nadat ik mijn grootouders, tante en neefje van huis heb zien ophalen besloot mijn moeder opnieuw dat ik weg moest uit Amsterdam. Op een ochtend werd ik opgehaald door “oom” Hannes Bogaard, een boer uit de Haarlemmermeer en was mijn onderduik begonnen. Bij aankomst op de boerderij heeft zijn dochter Metje mij “gehersenspoeld”, ik “werd” Hennie Smit en moest, als mij gevraagd werd waar ik vandaan kwam zeggen “uit Rotterdam en dat mijn papa en mama waren gedood tijdens het bombardement”. Maar ik zei dat ik naar huis wilde, dat papa en mama in de Vrolikstraat waren! Vind het nog altijd bijzonder dat het haar gelukt is mij dit toch te laten vertellen! Na op vele adressen te zijn geweest kwam het Verzet er in het najaar van 1943 achter dat mijn ouders inmiddels ook waren ondergedoken in De Haarlemmermeer. Omdat ik vanwege mijn uiterlijk heel moeilijk was onder te brengen, maar ook geen makkelijk kind was, werd ik omstreeks eind september ’s nachts, na te zijn verdoofd met een slaapmiddel in een beker melk, in een biggenkist achterop een motor door een als Duitse verklede Verzetman naar de Molenaarlaan naar de familie Klootwijk gebracht. Toen ik in de ochtend wakker werd in een vreemde kamer zat tot mijn grote verbijstering mijn moeder bij mijn bed. Mijn eerste woorden waren “waar is papa?”. Een paar dagen later ging ik met Gijs Klootwijk naar een ander huis in de laan en daar zat mijn vader met zijn dove -oudste – zuster en mijn nichtje van 13 jaar bij de het kinderloze echtpaar v.d. Wiel. De blijdschap dat ik mijn allerliefste papa zag kan ik niet in woorden uitbrengen. Tot vijf december 1943 ging ik met de bijna 13 jarige Gijs Klootwijk elke ochtend naar het huis waar mijn papa,
tante en nichtje zaten. Gijs kon niet lezen of schrijven en dat leerde mijn papa hem. Die avond zag ik voor de laatste keer mijn papa, verkleed als zwarte Piet samen met een Sinterklaas, kwam hij ons bezoeken. 10 december zagen Gijs en ik hoe mijn papa, tante en nichtje werden opgehaald…..ze waren verraden voor “kopgeld”.Gijs heeft zich met mij verstopt in een hooiberg die op de boerderij stond aan het eind van de Molenaarslaan. Hierna ben ik weer alleen verder gaan onderduiken. Mijn papa is vermoord in Auschwitz in april 1944.
De vader van Channa
De Stolperstein voor haar vader
Tekst: Frenk der Nederlanden – januari 2026
Het leven van Channa Walvisch werd getekend door de Tweede Wereldoorlog. Een groot deel van haar familie werd vermoord in de concentratiekampen van de nazi’s. Zelf overleefde ze vijftien onderduikadressen.
Ze was lief en hartelijk, zorgzaam en genereus, maar Channa Walvisch (Amsterdam, 1936) bleef ook haar hele leven boos. Boos op de nazi’s, die vrijwel haar hele familie deporteerden en vermoordden in de concentratiekampen, boos over het onrecht in de wereld, boos als ze weer eens werd geconfronteerd met racisme en discriminatie.
Mis nooit meer het laatste nieuws
Elke week bezocht de Joodse Amsterdamse ontheemde kinderen in een asielzoekerscentrum. En als het dan vanbinnen weer eens overkookte, pakte ze haar pen en schreef ze haar boosheid van zich af in een brief aan de krant. ‘Twee uurtjes per week mag ik even de oma zijn die zij zo node missen, lukt het hun een stralende lach te ontlokken. Maar altijd zie ik de triestheid in hun ogen en menig keer ga ik huilend, maar ook met een woede in mij die ik niet onder woorden kan brengen, richting huis.’
Walvisch herkende zich in de kinderen, want in de oorlog had ze als klein meisje op vijftien onderduikadressen gezeten. ‘Ik zie het wantrouwen in die kinderogen, het wantrouwen en de angst die ook ik toen voelde, vier lange angstige jaren – alleen, van gezin naar gezin, niet begrijpend waarom.’
Prinsesje van de straat
Channa Walvisch werd op de laatste dag van 1936 geboren in de Vrolikstraat in Amsterdam-Oost, waar haar vader Japie met zijn vrouw Mina een kolenhandel annex karrenverhuurbedrijf bestierde. “Voor mij was dit de mooiste straat van de stad,” zei ze in 2010 in Het Parool.
“Ik kende alle buren en was het prinsesje van de straat. Tot de winter van 1940, toen de kinderen van de NSB’ers ineens niet meer met mij mochten omgaan en de straat overstaken als ik eraan kwam. Als ik eraan terugdenk, kan ik het wel uitschreeuwen en vervloek ik weer die ellendige rotmoffen. Toen ik hier op mijn zesde vertrok, was mijn jeugd voorgoed voorbij.”
De kleine Channa zag in 1942 met eigen ogen hoe haar grootouders Heintje Walvisch-Wagenaar (1874) en Joseph Walvisch (1884) bij een razzia ‘als een zak kolen’ in een overvalwagen werden gesmeten – ze eindigden in de gaskamers van Auschwitz. Kort daarna dook ze met haar vader onder in Nieuw-Vennep. Hij werd voor 7,50 gulden verraden door de mensen bij wie hij zijn toevlucht had gezocht en ook naar Auschwitz gedeporteerd.
Walvisch: “Ik zie hem nog het land in hollen. Ze schoten op hem en ik begon te gillen. Een jongen nam me mee en verstopte me in een hooiberg. Drie dagen heb ik daar gezeten, totdat het verzet me vond en ik weer ergens anders werd ondergebracht.”

Stolpersteine
De oma van Channa
Stolpersteine voor de opa en oma van Channa
Als een van de weinige Joden keerde Walvisch in augustus 1945 terug in Amsterdam. Van haar familieleden was bijna niemand meer over. Ter hunner nagedachtenis liet Walvisch voor de oude woningen in de Vrolikstraat zes zogeheten Stolpersteine in het trottoir metselen. “Als ik voor mijn hele familie stenen zou laten neerleggen, lag er een compleet pad door Amsterdam-Oost.”
Walvisch nam zich heilig voor de herinneringen aan de oorlog levend te houden. Als gastdocente van Herinneringscentrum Westerbork bezocht ze tientallen scholen om haar verhaal te vertellen. Ze zette zich in voor goede doelen en ging tijdens de Golfoorlog in 1990 als vrijwilligster naar Israël.
Toch had ze altijd het gevoel dat ze tekortschoot, zegt Deborah de Liever (1958), de oudste van haar drie kinderen. “Mijn moeder had haar hele leven veel verdriet, zo getraumatiseerd als ze was door de oorlog. Daar hebben we alle drie een tik van meegekregen. Ik had als kind het idee dat het mijn taak was om het gat van al die vermoorde mensen op te vullen.”
Strijdbaar
Walvisch overleed zes dagen voor haar 89ste verjaardag aan de gevolgen van darmkanker. Tot op het laatst bleef ze strijdbaar, zegt De Liever. “Ze weigerde zich te laten opereren. Toen ze niet meer mocht autorijden vanwege de morfine die ze tegen de pijn kreeg, werd ze woedend. ‘Dan maar pijn,’ zei ze, ‘ik ga niet achter de geraniums zitten’.”
Channa Walvisch is ter aarde besteld op de Joodse begraafplaats in Muiderberg.