Bron: #Dwars door de buurt – editie 253
Zaterdagavond, het jaar 1937 is nog geen twee dagen oud. Bij Bureau Linneausstraat wordt een geboeide man afgeleverd. Twee rechercheurs nemen hem over en zetten hem in een verhoorkamer. Met hangend hoofd zit de man tegenover hen. Hij beantwoordt hun vragen kort en helder: hij is 34, vrijgezel, matroos, woont in de Rivierenbuurt. ‘Welnu meneer, u bent hier om… een móórd te bekennen?!’ Droevig knikt de matroos. ‘Het gebeurde gisteravond.’

Hij wankelt. Al sinds oudjaarsavond, een dag geleden, heeft hij stevig gedronken. Dat is niet vreemd voor een matroos. Inmiddels is al zijn geld op en is hij de laatste kroeg uitgezet. Hij zwalkt langs de koude oever van de Amstel. De gordijnen van de statige huizen langs de Weesperzijde zijn goed gesloten. In een winkel op de hoek van de Marcusstraat brandt echter nog licht. Men is er druk bezig de etalages opnieuw in te richten na de feestdagen. Op straat wagen zich deze avond maar weinig mensen. Toch komt er een andere man de matroos tegemoet. Ook zijn benen willen hem niet meer geheel recht in de goede richting dragen. Hij is nog jong, ongeveer 27 jaar en hij draagt een lange, lichte regenjas. Niet in staat hun richting nauwkeurig te bepalen, lopen beide heren tegen elkaar op. De matroos duwt de ander vloekend van zich af. ‘Donnerwetter!’ scheldt de ander en hij grijpt de matroos stevig bij de schouders. Ze worstelen. Er vallen klappen. Langzaam wordt de matroos richting de rand van de kade geduwd. ‘Vuilak!’ roept de matroos uit. Hij weet zich los te worstelen, grijpt de regenjas van zijn tegenstander en gooit hem de Amstel in. Met een plons verdwijnt de man onder water. De matroos blijft enkele tellen verschrikt staan, maar wanneer hij niets meer ziet bewegen in het water, gaat hij zo snel als hij kan ervandoor.
‘Uit angst dorst ik niet naar huis te gaan. Ik zwierf wat rond, sliep in een hotelletje. En nu kom ik u door wroeging gedreven, vertellen wat ik gedaan heb.’ De rechercheurs kijken elkaar aan. ‘Er is vandaag geen lichaam in de Amstel gevonden, toch?’ ‘Er zijn ook geen vermisten gemeld.’
Bij zonsopkomst is er een oploopje op de Weesperzijde. Op de kade staat de geboeide matroos met de twee rechercheurs. De matroos twijfelt, loopt wat heen en weer langs de kade. Maar dan staat hij stil. ‘Hier was het, ik weet het zeker.’ De dreggers varen hun sloep naar de juiste plek en laten hun netten zakken. Agenten bellen aan bij de huizen langs de Weesperzijde en in de Marcusstraat. Ook bij de winkel gaat het licht aan. Mensen schudden hun hoofd, niemand heeft iets gehoord of gezien. Na ruim anderhalf uur houden de dreggers het voor gezien.
‘Ik zie geen redenen om aan te nemen dat uw arrestant aan waanbeelden lijdt’, zegt dokter Van der Spek. ‘Hij vertelde wel dat hij onlangs ontslagen is en omdat hij zijn huur niet meer kon betalen, al een aantal dagen op straat leefde.’ De rechercheurs gaan de verhoorkamer binnen. Ernstig kijken ze de matroos aan. ‘Blijft u bij uw verhaal dat u een man vermoord heeft?’ De matroos aarzelt even. ‘Heel eerlijk gezegd kan ik me het niet goed meer herinneren. Ik heb me vast vergist. Ik trek mijn bekentenis in. Ik zit hier prima hoor, warme cel, het eten was best in orde. Maar het wordt tijd dat ik opstap en plaats maak voor een echte moordenaar.’ Een van de rechercheurs trekt de matroos overeind. ‘Helaas maat, jij mag nog een tijdje gaan brommen wegens landloperij!’ #
De matroos kwam al snel op vrije voeten. Een lijk werd er nooit gevonden. De recherche ging er vanuit dat de man óf een enorme fantast was, óf bewust had gelogen om een paar dagen van de koude straat te zijn.
Melissa Plomp
Geef een reactie